| |
22 mei
Landelijke interculturele
viering in Flevopolder
30 mei
Manifestatie
Rhythm against Racism
Dam Amsterdam 14.00 u
11 september
SAMENWIJZERDAG
11 september
BBN Raad
|
|
|
|
|
| |
|
Vrede in de marge op Veteranendag |
 
Die Veteranendag, die dit jaar voor de vijfde keer werd gehouden, past een beetje in het offensief dat onder de kabinetten Balkenende is ingezet om van Nederlandse militairen helden te maken en waar ook de uitgave van bumperstikkers ‘wij steunen onze militairen’ en de rechtstreeks op televisie uitgezonden uitreiking van de Militaire Willemsorde toe gerekend moeten worden. Het helpt overigens nog niet echt tegen het wervingsprobleem van het Nederlandse leger, maar het draagt wel bij aan de maatschappelijke overtuiging dat vrede en mensenrechten wereldwijd alleen maar met militaire middelen bevorderd kunnen worden. Tegelijkertijd past zo’n openbaar eerbewijs niet echt in de Nederlandse traditie waar toch vooral een niet-militair zelfbeeld heerst. Het leger wint aan zichtbaarheid en maatschappelijke acceptatie terwijl de vredesbeweging haar zichtbaarheid verliest
Al op de allereerste Veteranendag, in 2005, vond die vredesbeweging dat ze wel aanwezig moest zijn op Veteranendag. Niet om tegen die Veteranen te demonstreren, maar wel om kritische kanttekeningen te plaatsen bij het al te romantische en verheerlijkte beeld van de inzet van militairen. Op de Veteranendag van 27 juni 2009 namen Kerk en Vrede, de Basisbeweging Nederland, de Verenging voor Theologie en Maatschappij en het Werkverband van Religieuzen voor Gerechtigheid en Vrede het stokje over en organiseerden in de Haagse Boskantkapel (langs de route van het defilé) een bijeenkomst over de vraag ‘hoe we nog steeds met politionele acties bezig zijn’. Aan die vraag zitten twee kanten. Allereerst de nog steeds voortdurende discussie over de dekolonisatie-oorlog in 1945-1949 die onder de verhullende term ‘politionele acties’ werd gevoerd. Stef Scagliola, medewerkster van het Veteraneninstituut is enkele jaren geleden op deze materie gepromoveerd onder de titel “Last van de oorlog”. Zij liet zien hoe er verschillende, persoonlijke en collectieve, herinneringen aan deze oorlog naast elkaar bestaan en hoe deze elkaar beïnvloeden. Sommige veteranen willen niet weten van oorlogsmisdaden; anderen hebben deze onder ogen gezien en hebben initiatieven genomen om daarmee in het reine te komen. Tot dusverre was het echter een tamelijk Nederlandse discussie, maar dat veranderde met de recente oprichting van de stichting Nederlandse Ereschulden die een stem geeft aan de nabestaanden van met name het bloedbad in Rawagedeh en na Kamervragen inmiddels ook een rechtszaak tegen de Nederlandse staat heeft aangespannen. Het is volgens Scagliola een tamelijk nieuw verschijnsel dat de slachtoffers van de oorlogshandelingen zich, via groepen in Nederland, in de discussie komen melden. Een verschijnsel dat we tien jaar geleden wel vrij direct hebben meegemaakt met de Vrouwen van Srebrenica, maar dat tot dusverre afwezig is in Irak en Afghanistan. En daarmee zijn we bij de tweede lezing van de vraag hoe we nog steeds met politionele acties bezig zijn, namelijk het zelfbeeld dat we hebben als een natie dat geen oorlog voert maar militairen inzet om recht en orde, vrede en ontwikkeling mogelijk te maken. De tweede inleider, militair historicus Christ Klep is onlangs gepromoveerd op een studie waarin hij aantoont dat parlementaire onderzoeken die zijn verricht naar het falen van dergelijke missies in Somalië, Rwanda en Srebrenica, geen enkel maatschappelijk effect hadden op het denken over dergelijke missies. Zelfs als zonneklaar is dat de militaire inzet niet het gewenste resultaat heeft, beginnen we gewoon de volgende militaire missie met dezelfde hoogstaande humanitaire verwachtingen. Als vredesbeweging zouden we die andere kant van de militaire operaties moeten laten zien. Slachtoffers in beeld brengen en duidelijk maken dat dat idee van humanitaire doelstellingen een farce is. Kritische kanttekeningen plaatsen bij het vereringsgeweld op zo’n Veteranendag. Hoe lastig dat dat is bleek wel toen we, op het moment dat het defilé langskwam, enkele regenboogkleurige vredesvlaggen uitrolden. Hier maakte de politie meteen korte metten mee en ons is zelfs nog een boete in het vooruitzicht gesteld. Het valt niet mee om als vredesbeweging zichtbaar aanwezig te zijn op zo’n Veteranendag. Zelfs niet in de marge. Maar wel nodig.
Jan Schaake, algemeen secretaris Kerk en Vrede

Verantwoordelijkheidsethiek versus gezindheidsethiek
Hoe overheden ontkomen aan hun politieke verantwoordelijkheid bij militaire missers
samenvatting van de lezing van Christ Klep
Christ Klep is docent bij de afdeling Geschiedenis Internationale Betrekkingen van de Universiteit Utrecht
Op 27 juni had Nederland zijn vijfde veteranendag in Den Haag. Men kan vragen: vanwaar de plotselinge behoefte van de regering om jaarlijks alle veteranen voor veel geld in het publieke zonnetje te zetten? Minstens één reden valt te bedenken: Defensie kampt met personeelstekort, en onze regering wil graag een partijtje meeblazen in het orkest van grote naties. Jongeren moeten dus enthousiast worden gemaakt voor defensie. Het was reden voor de organisaties van de Samen Wijzer Dag (Kerk en Vrede, Basisbeweging, VTM en WRGV) om aan de rand van het defilé ons te buigen over het publieke geheugen van Nederland. Op hun verzoek zette Christ Klep uiteen hoe het rapporten vergaat die opgesteld worden over escalaties bij oorlogvoering en internationale missies en waarom er niet wordt geleerd. Drie cases Canada was in 1992-1993 in Somalië ter bescherming van de burgerbevolking. Er waren regelmatig diefstallen in het militaire kamp, er werden ook bezittingen van soldaten gestolen. Ze besloten een hinderlaag te leggen, waarbij een jongen wordt neergeschoten. In een ander geval pakten ze een van de dieven in de kraag: een jongen van 16 jaar. Hij wordt acht uur lang gemarteld, er staan dertig tot veertig getuigen omheen of ze horen het geschreeuw, er wordt een fotoserie van gemaakt. Na acht uur overlijdt de jongen. Als het uitlekt, wordt één militair gepakt. Zijn bazen worden nauwelijks ter verantwoording geroepen. Het Canadees ministerie beweert in eerste instantie niet te weten waardoor de jongen overleed. Een journalist achterhaalt de waarheid, de oppositie roept om een onderzoek. Zodra de oppositie regering wordt, geeft ze aan niets politiek met deze zaak te gaan doen. Geruchten over een serie incidenten worden dan bezworen door een commissie in te stellen. De commissie geeft aan dat de overheid haar tegenwerkt en documentatie achterhoudt of onbruikbaar maakt. België ‘lag’ in Rwanda voordat daar de vreselijke etnische conflicten uitbarstten midden jaren negentig. Tien Belgische militairen kregen opdracht de Tutsi-premier te beschermen. De premier wordt gedood, de tien militairen worden gelyncht. België zet deelname aan de missie stop en trekt de hele eenheid terug. De genocide breekt uit. Eén vraag is: Wat zou er gebeurd zijn als de eenheid gebleven was? Zou er dan een genocide zijn geweest? Afgeleide vragen zijn: besefte het Belgische commando wel wat er aan de hand was in Rwanda? Lange tijd hield België de scherpe vragen af, tenslotte kwam er een Senaatscommissie. De commissie bracht veel nieuws boven tafel. Maar de discussie nadien ging over de aanbevelingen, er kwam geen discussie over de conclusies in de rapportage. De rapportage na het Srebrenica-debacle. Vooraf valt te stellen, dat de opdracht voor Dutchbat: ‘beschermen’ een vaag begrip was. Ook moet gesteld worden, dat Dutchbat geen zicht had op wat er gebeurde met de 8000 gevangenen in handen van Mladic. De politieke vraag gaat met name ook over de enkele honderden moslims die zich bevonden in het militaire kamp van Dutchbad en die overgedragen werden aan Mladic. Het onderzoek, dat zeven jaar op zich liet wachten, maakte veel ongerijmdheden zichtbaar. De regering trad weliswaar af, maar dat was symbolisch: twee weken voor de verkiezingen. In alle drie gevallen was de politieke reactie op de gebeurtenissen gelijk: langdurig ontkennen dat er iets helemaal was misgegaan; vervolgens wijzen op overmacht; dan militairen de schuld geven; uiteindelijk een commissie instellen om de maatschappelijke commotie te bedaren. Ook de reactie van de regeringen op de bevindingen van die commissies zijn gelijk: “Het is goed werk!” “Maar het is wel onvolledig en behoeft discussie.” De discussie wordt dan beperkt tot de aanbevelingen (niet de conclusies). En over die aanbevelingen wordt gezegd, dat dat “inmiddels allemaal al lang is gebeurd”. Zo worden die onderzoeksrapporten onschadelijk gemaakt. De publieke opinie neigt ertoe te accepteren dat de regering van goede wil bleek en dat er inderdaad al veranderingen hebben plaatsgevonden. Binnen zeer kleine groepen in de samenleving blijft present hoezeer er gemanipuleerd wordt van overheidswege rondom militaire excessen. Gezindheidsethiek bij besluitvorming In het conflict tussen en binnen overheid en samenleving rondom militaire debacles speelt de spanning tussen verantwoordelijkheidsethiek en gezindheidsethiek. Het kan gaan om excessief geweld, om grote strategische inschattingsfouten door politici en militairen, om besluiten tot interventies of niet. Aan een besluit tot ingrijpen ligt doorgaans een complex aan redenen en belangen ten grondslag. Bij de politieke legitimatie vooraf (ten overstaan van zowel parlement als volk) worden zogenoemde ‘ultieme’ (waar men niet ‘overheen kan’) argumenten genoemd in de sfeer van gezindheidsethiek. Het gaat dan om bescherming van zwakke groepen, om stoppen van bruut geweld door een slecht regiem, om stichten van vrede, om het uiteenhouden van partijen. Minder ethische belangen die ook een rol spelen worden niet of minder op de voorgrond geschoven. Indien de minder ethische belangen feitelijk een hoofdrol spelen bij politieke besluitvorming, kan het zijn dat van de feitelijk te verwachten situatie zelfs een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven door bepaalde te verwachten problemen niet te accentueren. Volk, middels parlement en regering sturen militairen erop uit vanwege een humanitaire belofte: vredesmissie, opbouwmissie. Verantwoordelijkheidsethiek bij debacle Loopt de missie spaak (Srebrenica, Irak) of is er excessief geweld (Indonesië, Somalië), dan trekt de overheid zich terug op de verantwoordelijkheidsvraag terwijl een spraakmakend deel van media en publiek de ethische trom bespelen. Er is publieke ontsteltenis over gebeurtenissen, en media en publiek willen een schuldige. Lange tijd zal de overheid verantwoordelijkheidsethisch trachten te wijzen op de overmacht in de situatie, onverwachte ontwikkelingen, excessief geweld van de tegenstander, tot er geen ontkomen meer aan is. Het kan leiden tot behoefte aan waarheidsvinding. Een militaire onderzoekscommissie zal niet geloofd worden. Een politieke onderzoekscommissie wordt geïnstrumentaliseerd door bepaalde partijen en dat leidt tot compromissen. Een onafhankelijke onderzoekscommissie zal moeilijk de feiten achterhalen. Getuigen zullen blijven bij oorspronkelijke verhalen, anders worden ze afgebrand. Defensie reageert gefrustreerd, want zij zijn de uitvoerders en krijgen doorgaans onontkoombare verantwoordelijkheid toegeschoven. Minister wijst verantwoordelijkheid af want wil geen schuld erkennen. Buitenlandse Zaken zwijgt terwijl doorgaans het diplomatieke niveau voor de interventie pleitte. Iedereen schuift elkaar de verantwoordelijkheid toe en het publieke debat raakt in die vraagstelling verstrikt. Politiek verantwoordelijkheid nemen is niet hetzelfde als schuld erkennen, maar wordt er wel mee vereenzelvigd. Daarom wordt politieke verantwoordelijkheid ontlopen. Dat het nemen van verantwoordelijkheid uiteindelijk altijd is af te schuiven hangt met onze politieke constellatie samen. De coalitie zal altijd op de hand van de regering zijn. Feitelijk werkt ons coalitiesysteem dus als een ‘eenheidspartij’. Daarin werkt de ministeriële verantwoordelijkheid niet en evenmin het dualistische overheidssysteem van besluitvorming en controle. Het parlement controleert niet, omdat het gedomineerd wordt door de coalitiepartijen. De verantwoordelijkheidsethiek wint het: niemand aansprakelijk. Het publieke ethische gevoel verliest. Het grote publiek raakt gefrustreerd als er geen verantwoordelijke uitkomt en wordt onverschillig. De regering wordt geen woordvoerder voor de ontzetting in het publieke debat. Daarmee wordt het moeilijk om het gebeuren als zodanig in het publieke geheugen te houden.
Christ Klep is docent bij de afdeling Geschiedenis Internationale Betrekkingen van de Universiteit Utrecht
|
|
|
|